Wie ik ben? Net mijn vader. Net zoals bij hem staat bij mij de koptelefoon zo hard mogelijk. Net zoals hij kan ik heel hard lachen om dingen waar andere mensen geen grap in zien. We verdedigen ons beiden met de uitleg: da’s toch humor?
Wie ik ben? Net mijn moeder. Net zoals zij wil ik altijd overal naartoe – het liefst fietsend. En net als zij kan ik niemand voor de gek houden zonder dat binnen twee seconden toe te geven.
Ja. Ik ben meiske en joch in één. Ik spring zonder aarzelen het koude water in – mijn spijkerbroek nog op de kant. En met een bloemetjeslegging aan wacht ik alleen op mijn kamer tot een bebakkebaarde vrijbuiter me komt zeggen: ik droom soms dat je blijft.
